THEMA
Op deze pagina zullen door het jaar heen de themateksten komen te staan. Verschillende bronnen worden belicht rond het thema "Licht uit Licht".
Onder zie je voor elk thema een plaatjesknop. Klik deze aan en je kunt het themaverhaal lezen

Nicea Paasnacht Kosmos Waar Licht Licht der wereld

Licht Ida
Licht uit licht.
Dit is het thema van het FJT 2010: “licht uit licht”. Waar rond het thema “licht” alleen al veel positieve associaties kunnen opborrelen, is “licht uit licht” zo mogelijk nog spannender! Er komt licht uit licht voort. Het ene licht schept het andere. Hier gaat het om een beweeglijk, dynamisch, scheppend gebeuren. En je kunt je ook afvragen: “Waar gaat het licht naartoe?”
Laten we maar meteen naar de oorsprong doorstoten. Het “licht uit licht” komt voort uit een geloofsbelijdenis. In een geloofsbelijdenis staat de kern van het christelijk geloof geformuleerd en door deze belijdenis uit te spreken beaamt de gelovige bidder deze fundamenten van het geloof.
De geloofsbelijdenis waar het hier om gaat is die van Nicea-Constantinopel en is al heel oud.
Uit de eerste kerkvergaderingen in Nicea en Constantinopel kwam in de vierde eeuw de oudste, oecumenische geloofsbelijdenis voort,die nog steeds geldt voor alle christenen over de hele wereld.
Het begin van de tekst luidt:
“Ik geloof in één God, de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
En in één Heer, Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, vóór alle tijden geboren uit de Vader.
God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God.
Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door wie alles geschapen is.
Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald…”
Hier zien we meteen de richting van het licht. Jezus, Zoon van God, licht uit licht, daalt uit de hemel af omwille van ons mensen, omwille van ons heil (dat is het diepste geluk dat je je maar kunt voorstellen!).
Laten we elkaar toewensen dat we op het komend FJT – allemaal samen en ieder persoonlijk – iets van dat kostbare licht voor ons leven mogen ervaren! Dat zou weldadig zijn: licht uit licht, zoals het was in Nicea en Constantinopel, zo in Megen!
Br. Fer van der Reijken
Licht uit de paasnacht
In de paastijd schittert op de meeste kerkaltaars een grote kaars. Sommige zijn rijk versierd met de mooiste bloemmotieven, lammeren Gods en korenaren. Sommige zijn regelrechte kitsch. Allemaal dragen ze het kruisteken en het jaartal. Allemaal zijn ze voor het eerst aangestoken in de paasnacht en branden ze het hele jaar door bij belangrijke feesten.
In de paasnacht (dit jaar was dat 3 april) heeft de priester van dienst de kaars gewijd. Hij heeft ‘m opgepakt en ondergedompeld in het nieuwe doopwater. Het is dus een speciale kaars. Het is ook de enige kaars die brandt in die donkere nacht. Maar niet voor lang. Een kleine kaars wordt aan die ene vlam aangestoken. En die steekt er een aan en weer een en die steekt er weer een aan en die… tot de hele kerk één zee geworden is van vriendelijk licht.
Die donkere nacht laat ons terugdenken aan de drie dagen dat Jezus dood leek en voorgoed vergeten. Hij had beloofd verlossing te brengen. Hij had beloofd de mensen beter te maken. Hij had beloofd voor goed af te rekenen met al het kwaad. En wat deed-i toen? Toen liet Hij zich gevangen nemen en aan het kruis slaan. Dood. Nou moe! Wat nu? Is er nog uitkomst?
Langzaam verspreidt zich het gerucht. “Heb je het al gehoord? Jezus is uit de dood opgestaan!” Als een lopend vuurtje ging het, met Jezus als de grote aanstichter. “Jezus is verrezen!”
Nu zie ik die grote kaars staan. Op het altaar, bij het doopvont of op een andere plek in de kerk. “Jezus is verrezen!” dat zegt die kaars. Maar wat zegt dat mij? Toen en daar, dat betekent voor mij toch niks? Ja, het zijn leuke verhalen soms en Jezus is echt een goede mens, een idool wel. Maar ja, het was een andere wereld.
Ik wil wel een eigen kaarsje opsteken. Dat doe ik vaker. Zomaar, voor vrienden, familie, mezelf, de wereld om me heen, de kerk. Ik pak een waxinelichtje op en houd het in de vlam van de paaskaars.
En zonder dat ik het zelf besef heb ik een klein beetje verrijzenis genomen van Jezus, het lichtend voorbeeld. Een klein beetje licht, een klein beetje verlossing.
Frits Hendriks
Ik ben het licht der wereld
Zondagavond 11 juli. Nederland zindert van de Oranje-koorts. Vanuit het Soccer City Stadium presenteert Zuid-Afrika zich aan de wereld met een wervelende show als afsluiting van het wereldkampioenschap voetbal. Maar bij de slotact doven de lichten niet. Bundels laserstralen blijven de zwarte avondlucht verlichten en de commentator verduidelijkt dat ons nog iets bijzonders te wachten staat.
En dan ineens gaat er in het stadion een gejuich op en produceren de Vuvuzela’s een oorverdovend geluid. Nelson Mandela wordt samen met zijn vrouw op een golfkarretje het stadion binnengereden. Nelson Mandela, de man die 27 jaar gevangen zat op Robbeneiland, de man die zou uitgroeien tot de icoon voor de strijd tegen apartheid, de eerste zwarte president van Zuid-Afrika, drager van de Nobelprijs van de vrede. Ondanks zijn hoge leeftijd van 91 jaar en zijn broze gezondheid, is hij daar ineens. En wat een uitstraling! Nelson Mandela, met een stralende lach, nog altijd een licht voor onze wereld!
Mandela is methodist en daarmee lid van een stroming in het protestantisme waarin veel nadruk wordt gelegd op de persoonlijke beleving, het streven naar morele en geestelijke volmaaktheid en naar sociale bewogenheid. In die zin staat hij helemaal in de lijn van Jezus in wie hij veel inspiratie vindt. Mandela geeft dus dóór wat hij ontvangen heeft: licht!
Heb je je overigens ooit gerealiseerd dat God als eerste scheppingsdaad het licht geschapen heeft? Je kunt erover lezen op de eerste bladzijde van de Bijbel.
De uitspraak “Ik ben het licht der wereld” vinden we in het Evangelie van Johannes (hoofdstuk 8, vers 12). Deze uitspraak hoort bij de zogenaamde “Ik ben” uitspraken van Jezus, die Johannes heeft opgetekend: “Ik ben het levende brood, ik ben de deur, ik ben de goede Herder, ik ben de weg, de waarheid en het leven, ik ben de wijnstok, ik ben de verrijzenis en het leven…”
Deze "Ik ben" uitspraken krijgen nog veel meer waarde, wanneer we ons realiseren dat er een verband is tussen "Ik ben" en de Naam van God.
God vraagt Mozes om het volk Israël uit Egypte te verlossen. Maar dan vraagt Mozes op zijn beurt: "Als ik naar de Israëlieten ga en hun zeg dat de God van hun voorouders mij heeft gestuurd, zullen zij vragen: 'Over welke God heb je het?' Wat moet ik dan antwoorden?" Waarop God antwoordt: ”Ik ben, Die Ik ben. Zeg maar tegen hen: “Ik Ben” heeft mij gestuurd." (Exodus 3,13 en 14)
Het licht is dus met God begonnen, Jezus (God uit God en licht uit licht) geeft door wat Hij ontvangen heeft, Nelson Mandela geeft door wat hij ontvangen heeft, wij… geven door wat wij ontvangen hebben!
Br. fer van der Reijken
Licht uit gedicht
Ida Gerhardt (1905-1997) heeft veel gedichten geschreven met een christelijk thema. Zo ook Licht uit Licht. Het is een beetje een raar gedicht. Het gaat helemaal niet over licht. Het spreekt van de liefde, drie strofen lang.
Die liefde houdt van iedereen, ook van de mensen die haar (hem?) pijn doen - ook als die mensen het niet in de gaten hebben.
De liefde lijkt er niet altijd te zijn, maar duikt dan plots op en zegt: Ik ben Altijd-bij-je! - ook als je het niet in de gaten hebt.
De liefde is herkenbaar aan het breken van het brood, het spreken van het woord (khouvanjou) en het twinkellichtje in de ogen van die ene speciale vriend - zorg dat je het in de gaten hebt.
Frits Hendriks
Licht uit Licht
De liefde bidt voor wie
niet weten wat zij doen;
gekruisigd blijft zij stil
voor wie de hamer heft.
En na de sabbath keert
zij tot de treurenden,
verrezen uit het graf
wandelt zij in de hof.
Onherkend zit zij aan
met hen, met u, met mij
te Emmaüs, tot het brood
door Hem gebroken wordt.
Ida Gerhardt
„Er zij licht!” Met die eerste woorden die in het boek Genesis uitgesproken worden, zet de Schepper de transformatie in gang waarmee de woeste en ledige aarde wordt tot de woonplaats van zijn schepselen.
Ook de moderne kosmologie vertelt een verhaal over het licht. Ons heelal begon onvoorstelbaar lang geleden met een unieke gebeurtenis: een ‘Big Bang’ waarbij tijd en ruimte, materie en energie ontstonden. Het licht van dat oervuurwerk, na miljarden jaren uitgedund tot een soort achtergrondruis, nemen sterrenkundigen nog altijd waar.
Voor de wetenschap heeft het licht nauwelijks geheimen meer. Het houdt zich aan precies bekende wetten, in de negentiende eeuw ontdekt door James Clerk Maxwell. Het licht houdt zich zelfs aan een maximumsnelheid—het snelt voort met een duizelingwekkende 300.000 kilometer per seconde.
Mogen we deze verhalen met elkaar in verband zetten? Is het Genesis-verhaal bedoeld als samenvatting voor eenvoudige mensen van wat wetenschappers tegenwoordig in het boek der natuur kunnen lezen? Of zijn de overeenkomsten gewoon toeval?
Maxwell, een overtuigd christen, was terughoudend over de relatie tussen zijn ontdekkingen en het bijbelse scheppingsverhaal. Dat geldt ook voor de grondlegger van de Big Bang-theorie—de priester Georges Lemaître.
Maar: als we het licht alleen als natuurkundig verschijnsel zien, doen we het grondig tekort. Voor ons is het licht bovenal datgene waardoor we alles om ons heen kunnen zien. Schilders, fotografen en filmmakers spelen met licht om zonder woorden sterke emoties over te dragen. In onze alledaagse beleving van het licht kunnen we minstens net zo diep geraakt worden als een natuurkundige die zich verwondert over de eigenaardige schoonheid van de vergelijkingen van Maxwell.
Voor wie geloven is het licht niet alleen iets binnen de schepping, maar wijst ook op God zelf. Hij gaf zijn wet als een licht op ons pad; Hij kwam ons opzoeken als het licht der wereld; Hij toonde zijn aanwezigheid op de eerste Pinksterdag met tongen als van vuur. Wie zich door dat licht laat vinden, is getuige van een groter wonder dan de schepping zelf.
Peter Bruin
Licht uit licht
We staan er vaak niet bij stil hoe vanzelfsprekend het voor ons is dat het ‘s morgens licht wordt. We kunnen wel eens mopperen over een donkere, sombere dag, maar dat doet niets af aan het gewone ritme van dag en nacht. We zouden gek staan te kijken als op een morgen de zon niet meer op zou komen.
Tegelijk zijn we er in zeker opzicht minder afhankelijk van dan ooit tevoren. We hebben overal kunstlicht. We kunnen in een donkere nacht rustig doorwerken dankzij een goede bureaulamp boven ons boek of een flinke t.l.-buis boven onze werkbank. Ook onze steden en wegen lichten in de nacht op dankzij de menselijke techniek. Het is allemaal vanzelfsprekend voor ons, al denken we er nu weer meer over na vanuit onze bezorgdheid over de vervuiling van lucht, water en land. We kiezen energiezuinige lampen, licht dat goed is voor het milieu en dus voor het behoud van moeder aarde.
We redden ons wel.
Als je nu het eerste scheppingsverhaal opslaat, Genesis 1,1-2,4, lijkt het wel of je in een andere wereld terecht komt. En als je het leest als een historisch waar gebeurd verhaal, leg je het waarschijnlijk snel als totaal achterhaald naast je neer. Maar zet eens een andere bril op en lees eens met andere ogen. Dit eerste scheppingsverhaal wil iets anders uitdrukken: niets is vanzelfsprekend! Alles, licht en donker, zon en maan, lucht, land en water, ook wijzelf worden in dit verhaal verbonden met een scheppende God. Niet toen en daar, maar hier en nu. De Naardense bijbel vertaalt het mooi in de onvoltooid tegenwoordige tijd: God schept. Hij schept welbewust, Hij scheidt en ordent. Hij roept en benoemt en zegent. Hij zendt. Ons bestaan, het bestaan van alles, hemel en aarde, is niet vanzelfsprekend, het komt voort uit de scheppende en gunnende hand van God. En opdat wij daarbij stil kunnen staan en geen slaven worden van de plichten en vanzelfsprekendheden in ons leven, voltooit God zijn werk door op de sabbat te rusten van al het werk dat Hij doet. Een dag van heiliging en zegening, een dag om ons te herinneren dat wij en alle schepselen bij Hem horen.
Dat is het échte licht in ons leven: dat wij zien dat wij geen toeval zijn, geen ongelukje. Dat voor ons oplicht hoe NIET-vanzelfsprekend wij zijn. Het is het licht dat het woord van God op ons leven kan werpen. De evangelist Johannes noemt het mensgeworden woord van God ‘het ware licht, dat iedere mens verlicht’, ‘licht uit licht’ volgens de oecumenische geloofsbelijdenis. En als Clara op het eind van haar leven terugblikt, zegt zij: ‘Nadat de allerhoogste, hemelse Vader mijn hart heeft willen verlichten...’.
Laten wij er wat vaker bij stilstaan hoe NIET-vanzelfsprekend de dingen van ons leven zijn en naar wiens beeld wij gemaakt zijn. Laten wij op de langste dag van het jaar God danken dat in de wisseling der tijden zijn echte licht aan blijft: Jezus Christus, onze Heer.
Zr. Angela Holleboom (Abdis Clarissen)